Ineke schrijft | Zielig

„Ik heb óók geen contant geld bij me.” Een pakje boter, een net mandarijnen en een blik tomatensoep in het mandje van haar rollator. „Hebt u een nieuw pasje?”, informeert de caissière. „Ja”, antwoordt de mevrouw.„Dan moet u het eerst activeren bij uw bank anders werkt het niet.” De mevrouw zucht. „Daar heb ik nog nooit van gehoord.” Een collega neemt de zaak over en roept er iemand van de servicebalie bij. Ondertussen zijn mijn zoon en ik aan de beurt. Bij het pinnen houd ik me sterk. Met het meest mogelijke stalen gezicht loop ik de winkel uit.

„Bah, wat zielig”, zeg ik als we bij de auto zijn. „Ja hè, vond ik ook”, zegt mijn zoon. Als ze maar niet het end naar de bank hoeft te lopen „ Oh nee hè, het is zaterdag!” zeggen we allebei tegelijk. „Ze zal daar wel vaker komen, dan mag ze de boodschappen vast maandag betalen”, zeg ik bezwerend.

Uiteraard win je de oorlog niet door anderen zielig te vinden. Toch steekt dat zieligheidgevoel regelmatig de kop op. Ik had het ook eens in de bus toen ik een kalende man, met felgroene jas een minizakje paprikachips zag eten. Of als ik een puberjongen zie met een jas waarvan de mouwen te kort zijn. Of zijn armen te lang, ’t net hoe je het bekijkt.

‘Hoezo zielig?’ wordt mij wel eens gevraagd. Maar veel verder dan: ‘Tja, dat vind ik gewoon’ kom ik dan niet. Er zijn slechts een paar mensen, waaronder mijn vriendinnen van vroeger, die hetzelfde voelen. Toen noemden wij het bitter, een woord dat wat mij betreft volledig de lading dekt. Maar omdat ik al loop te stuntelen als ik zielig uit moet leggen durf ik niet meer met bitter aan te komen.

Zou het projectie zijn? Dat ik mijzelf in die ander zie en mezelf dus eigenlijk heel erg zielig vind. En dan zielig in de zin van echt zielig. Een zielig, triest, treurig hoopje mens, dat anderen zielig vindt terwijl ze dat helemaal niet zijn. Ik krijg bijna medelijden met mezelf. Zo bitter dit.