Geen pokerface

Laatst liep ik het kantoor van een collega binnen. Onder het mom van ‘even bijkletsen’ plofte ik neer op de stoel naast haar. Mijn collega keek me onderzoekend aan. „Ik moet even van mijn plek hoor, soms moet dat he?” zei ik nonchalant terwijl ik over mijn jeans wreef. Ze begon te glimlachen en vroeg: „Waar wil je het over hebben?” Het duurde maar even of de echte reden van mijn bezoekje kwam boven tafel.

Lichaamstaal wordt vaak onmiddellijk herkend door de mensen die je goed kennen. Ook al wil je die nog een beetje verbloemen, toch lukt dat meestal niet. Tenminste niet bij mij met een pokerface van ver onder nul. Ik schijn in mij zelf te keren als iemand een opmerking maakt die verkeerd bij mij valt of als iemand iets gedaan heeft wat niet strookt met mijn normen. In plaats van het meteen te zeggen houd ik eerst afstand en ga ik bij mezelf na waar het gevoel vandaan komt en waarom dat zo is. Vaak kom ik er later wel op terug en zal ook geen blad voor de mond nemen als ik denk een punt te hebben.

Dat zogenaamde landingsproces gaat bij mij blijkbaar gepaard met een bepaalde gezichtsuitdrukking. Ik heb een vriendin die mij zo goed kent dat ze onmiddellijk merkt dat er stront aan de knikker is. „Ik zie die luiken al weer dicht gaan, dus voor de draad ermee”, krijg ik dan te horen.

Toch moet je ook voorzichtig zijn met het uitleggen van lichaamstaal. Soms wordt die verkeerd vertaald en word je ten onrechte beticht van een bepaalde houding. De leraren die mij vroeger bestempelden als onverschillig hadden iets meer tijd moeten nemen voor het vormen van hun mening want ze zaten er compleet naast. Tja, soms moet je even extra je best doen om te zien wat er achter de luiken zit. En ook dat kan prima met lichaamstaal.