Zevenhuister schrijft voor kleinkind

ZEVENHUIZEN

Zijn leven ontwikkelde zich als een soepele slingerplant. Niets in het leven van Jeep Posthumus (1892-1963) uit Roden liep langs een rechte lijn. Zijn kleinzoon Jeep Jan (Joop) Posthumus (64) uit Zevenhuizen is nu bezig met een boek over hem voor zijn eigen kleinzoon Jeep Jan, die vorig jaar november het levenslicht zag.

Hij koos al slingerend zijn eigen pad, maakte af en toe een misstap en ging daarna fleurig verder met de handel in hulst en paarden. Naast een turbulente jeugd en een militaire dienstperiode in de tijd van de mobilisatie (1914-1918) kende hij ook een creatieve dadendrang.

Het meest aangrijpende in het leven van zijn opa is zijn bijna doodervaring geweest in het kamp Vught in 1943. „Bij zijn terugkeer woog hij nog tachtig pond. Hij zou bij zijn vertrek uit het kamp worden doodgeschoten als hij de poort niet zou halen. Een arts van het Rode Kruis is hem toen ter wille geweest”, vertelt Joop.

Jeep Posthumus belandde in het kamp na het illegaal slachten van schapen. Uit het vonnis blijkt dat er toen 27,5 vlees, twee kilo vet, huid, een mes en een plankje in beslag zijn genomen. In diezelfde oorlogsjaren bracht zijn tweede echtgenote, Marieke Posthumus-Visker (1903-1994), verkleed als een zwangere vrouw, grote hoeveelheden vlees vanuit Nieuw-Roden naar de stad Groningen. „Het vlees dat zij braadde, was echt legendarisch”, weet Joop. „Tijdens de zes maanden gevangenisstraf voor haar man moest zij ervoor zorg dragen dat er brood op de plank kwam”. Geboren als dochter van koopman Tonnis Visker in Winschoten was ook zij wel wat gewend .

Het is vooralde gastvrijheid en behulpzaamheid jegens minder bedeelden die Joop Posthumus een andere kijk geven op het verleden van zijn grootvader. In zijn jeugdjaren stond zijn opa, achtste van een dertien kinderen tellend gezin, bekend als een wilde kornuit. „Er werd zelfs gezegd dat als hij een kroeg binnenstapte de andere bezoekers door de achterdeur verdwenen”, lacht Joop. Een tweevoudige veroordeling als dienstplichtig militair door de Krijgsraad, gevangenisstraffen vanwege de illegale slacht van geiten en schapen en een eigenzinnig karakter maakten dat hij gevreesd werd. Zijn handel en wandel leidden er zelfs toe dat de politie vanuit Groningen in een openbare oproep iedereen afraadde direct met hem zaken te doen, maar adviseerde eerst inlichtingen in te winnen bij de afdeling recherche. Een van de spraakmakende verhalen rond hem is dat hij als militair kleren van meerderen die hij in bewaring had verkocht om vervolgens een zwierig leven te leiden. Een beschuldiging van diefstal van hulst uit een boom van baron mr. M.P.D. Harinxma thoe Slooten leverde daarentegen vrijspraak op.

Na de Tweede Wereldoorlog maakte hij op ongeëvenaarde manier opgang als vooral handelaar in paarden bij markten in onder meer Zuidlaren en Roden. Daarnaast stond hij bekend als een soort wonderdokter. „Kruiden voor zieke paarden zocht hij ’s ochtends bij maneschijn bij elkaar. De kennis van kruiden heeft hij vrijwel zeker te danken aan zijn periode als woonwagenbewoner waarbij hij ook veel contact met zigeuners kende. Bij de paardenmarkt in Zuidlaren bepaalde hij gedurende tal van jaren de prijs. Met zijn wandelstok gaf hij de seinen aan en dat zijn niet altijd alleen corrigerende tikken geweest”, zo weet zijn kleinzoon uit herinneringen van derden. Soms werd bij de handel, volgens de maatstaven van nu, een grens overschreden zoals het via het achterwerk van het paard inbrengen van een paling. De edele viervoeter, die ook nog wel eens werd geverfd vanwege de betere verkoopbaarheid, gedroeg zich dan vanzelf als levenslustig. Bij oudere paarden werd het gebit, met lange tanden, geveild om ze jonger te laten lijken.

Als oudste voorvader van hem is de in 1680 geboren Hinne Wybes achterhaald die in 1717 in het Friese Oudega (Smallingerland) huwde met Hatteke Harts. Hun zoon Hinne Hinnes is wellicht vlak na het overlijden van zijn vader geboren in Warga, zodat daarmee de latere achternaam Posthumus kan worden verklaard. Diens achterkleinzoon Anne Hinnes Posthumus (1829-1882) raakte in 1862 failliet. „Alles moest worden verkocht: zijn winkelhuis, huisraad zoals kasten, tafels, stoelen en aardewerk”, zegt Joop.

Nadien vertrok Anne Hinnes naar Nuis waar hij zijn brood als tolpachter verdiende. De overgrootvader van de Zevenhuister boekschrijver nam deze functie over. De handel vormt een rode draad in de familie Posthumus, maar daarbij kwam in de vorige eeuw ook de productie van boerenwagens op luchtbanden en nadien de handel in en reparatie van auto’s. Joop Posthumus heeft hoofdzakelijk als verzekeringsdeskundige zijn draai gevonden, maar stuitte ook daarbij op het grillige leven van zijn grootvader. „Bij een bezoek van een van de boeren die ik in portefeuille had, werd mij de deur gewezen toen ik mij voorstelde. Het was toen al zo’n vijftig jaar na het overlijden van mijn opa, maar het noemen van zijn naam haalde kennelijk oud zeer naar boven”, vertelt Joop.

De talrijke verhalen over opa Jeep maken het beeld voor hem alleen maar completer: Een avonturier met charisma.

„In het begin heb ik bij een zoektocht in allerlei archieven een romantisch beeld van hem gehad. Gaandeweg wordt het je duidelijk dat het leven in zijn tijd toen hard was. Vooral de twintig jaren voor de Tweede Wereldoorlog, met een diepe crisis in de jaren dertig, waren snoeihard”. Aangevuld met verhalen van ouderen die zich zijn opa nog herinneren, hoopt Joop Posthumus dit jaar zijn werk te voltooien: ‘In de voetstappen van’ De titel ‘Opa was geen lieverdje’ heb ik laten varen. „Hij was geen lieverdje, maar echt een man van zijn tijd”, besluit Joop.

Jelle Raap